STILLE UREN. 105
alsof er geen maanden waren geschoven tusschen zijn laatste daar zijn en nu. Alleen, hij was mat-geziekt door de duistering der kort-aaneenge-somberde droefheids-dagen, neêrgemoeid door het telkens weerwachten van haar terugkomst, waarvan hij hier ook nog telkens de schokking voelde, wanneer het hem leek of hij haar stemklank hoorde en hij dacht haar te zien binnenkomen, langzaam, moeilijk stappend zooals hij haar het laatst hier had gezien.
Weken droomden voorbij. Langzaam voelde hij zich krachtig worden; de ineenslapping van zijn lichaam sterkte heen onder de rustende droomleegheid van zijn slaap, de moewende obsessie van terugherinneren eiken avond wende weg; hij begon weer mee te leven in den kleinen, lief-vriendenden omgang met zijn huisgenooten. Eiken dag liep hij in den tuin, met een hooger-dringend verlangen te kunnen wandelen in de stille bosschen, waarvan hij de donker-broeiende geuren rook, naar hem toe warmend op de week-luwende streelingen van den wind. Alleen ’s ochtends, wanneer hij wakker werd, voelde hij nog een lood-doffende zwaarte in zijn lichaam,