104 STILLE UREN.
door haar sneller vermoeien onder de jachtende schudding van haar hartslag, wanneer hij met haar liep. Den laatsten zomer, het vorige jaar, hadden zij niet meer gewandeld. Een paar keer had hij met haar door den tuin geloopen, langzaam, voorzichtig naast haar stappend terwijl zij zwaar, kort-hijgend in zijn arm leunde. De meeste dagen was zij stil blijven liggen in de schaduw naast het huis, hem dwingend om haar te laten en alleen te gaan wandelen. Wanneer hij dan, haastend uit zijn eenzaam, verdrietig loopen, terugkwam naar huis, vond hij haar liggen zooals hij haar had verlaten, tevreden, klein-gestrekt onder de hooge lichting van den dag, haar diep-fulpen oogen oplachend naar hem toe. En toen nog had hij niet gevreesd dat de dag zoo dicht naast hem dreigde, maar had zich bij het afscheid nemen voorgemooid dat zij het volgend jaar zouden weerkomen, lieg-vreugdend dat zij dan misschien zou hersteld zijn.
Hij was weergekomen, hij was weer terug als vorige jaren, hij zat weer in dezelfde kamer, zooals hij zoo dikwijls had gezeten, in de oud-gekende omkleuring der lang-geweten meubelen,