STILLE UREN. 95
naar het wijkend licht buiten, dat hoog warmde in de goud-zonnende boomtoppen, haar fijntril-lende neusvleugels ademend naar den bloemengeur, die breeder avond-wolkte door het vertrek. Toen, terwijl allen rondom hem voortvroolijkten in onwetend vreugden, had hij haar aangekeken. En het was plotseling door hem gesneden wat hij alleen wist, wat diep in hem vastlag, duister-dreigend uit de zwijging van zijn denken, dat zij nooit zou herstellen, dat zij onherroepelijk heen was, dat dit misschien de laatste maal was dat hij met haar zou zitten in de vreugde-roezing van stemmen rondom. En een wijd-pijnende wanhoop drong omhoog in zijn borst, vocht-stekend zijn oogen waarin hij langzaam de schemerende blind-dekking van zijn huilen voelde, vooruitziende wat eenmaal moest gebeuren, iets wat hij alléén wist en dat somber opstond in de heldere klank-kleuring der stemmen. Hij had rondgestaard op allen om hem heen, wonderend hun vroolijk-zijn en hij had voorzichtig naar haar gekeken, dwingend zijn oogen te blijven op de matte witheid van haar gezicht, met een groot-schrijnende behoefte zich te pijnen door het langzaam, moeielijk