94 STILLE UREN.
wanneer haar moejachtend hart sneller schudde tegen haar moeilijk trekkend ademen. Eindelijk was zij den eersten dag van haar kamer geweest. Het was een dicht-warme middag, die zonlichtend neerstond over het groen van den tuin, waarin de hoornen beweegloos hoogden naar de strakblauwe lucht, zacht-grijze schaduwen schemerend over de tuinpaden die helder, scherp bogen langs de perken. In de tuinkamer stond een helder-lichtlooze koelte over de meubelen, egaal-wit plekkend het tafellaken waarop de bloemen kort-scherp kleurden tusschen hooge pluimen groen, die langzaam telkens wiegden op het weeke zuchten van den zomerwind.
Toen hij met haar binnenkwam, sloeg plotseling een zachtluidend vroolijken omhoog van de menschen die hij dien eersten middag van haar beter-zijn gevraagd had, en zij had naast hem gezeten, zachtdrukkend zijn hand in de dankbare tevredenheid van haar weer-terug-zijn tusschen allen die zij liefhad. In de roezing van stemmen rond haar hoofd, was zij onbewegelijk gebleven, achterover leunend in haar hoogmakkelijken stoel, met een week-zacht staren uit haar groote oogen