STILLE UREN. 93
dend in den beweegloozen nacht, praatten de stemmen van menschen in den tuin onder hem, mompelend voort een staage, heen-droomende grijsheid van geluid in de duistere rust.
In de rijing van terug-herinnerende visioenen die hij voor de donkere webbing van zijn dichte oogen volgde, zag hij langzaam vóórdenken een verren zomeravond waarin dezelfde geur weefde, een avond lang heen, waardoor dezelfde mompe-ling van stemmen trok, onder de zuivere koepe-ling van den nacht.
Het was den zomer voor haar dood gaan, den laatsten zomer dien zij met hem was geweest. Langen tijd had zij ziek gelegen in de heldere blankheid van haar kussens, machteloos neergemoeid door de heftiger jachtende klopping van haar hartslag. Weken was zij niet van haar kamer geweest, lange weken van neergedwongen rusten in de zwijging van het huis, weken die waren heengeneveld onder de angstig-dreigende sombering van haar nooit-beter worden. Maar zij was hersteld, zwak nog steunend op zijn arm wanneer zij door de kamer ging, telkens beweeg-loos-staande met haar hand tegen haar borst,