37
door haar nooit meer te veranderen geloof. Dan kon ze alleen op haar kamer, ver boven ’t kleine gewarrel der menschen om haar heen, uitbarsten in een opluchtend, smeek-rouwend huilen, klagend ’t onvermijdelijke waarin ze gedwongen was heen te gaan, treurend de mooije droomen die wêer-kwamen uit de doode, vergeleden herinnering van vroegere jaren.