249
van haar eigen leven: hierna zou haar bestaan zijn een wijd, lichteloos heensterven, langsaam, eindeloos lang.
Er was niets meer, ’t was ’t einde van alles, van haar droomen, van haar bestaan.
En terwijl zij moeielijk haar zien boorde naar waar de laatste werkelijkheid van haar vroeger leven even nog puntte in wijd-ineenlossenden afstand, vreemdde een duizelende lêegte in haar denken dat in de laatste dagen gebezigd had naar dit uur, voor-wachtend een onduidelijk visioen van ruim-troostend weerzien.
Alleen zou zij blijven in de wacht-sleeping der dagen, die nog kwamen, alleen tot haar laatsten dag, zonder band in de mêe-leving van iemand om haar heen, eenzaam in de wijde, liefdelooze lêegte van haar leven.
Zacht, luidloos deinend met langsaam-schuivend bewegen, dichtte de mist kleurloos ineen, achter-dekkend het blanke zilveren van de moeielijk blinkende zon tot een egaal-grauwe witheid. Koel-grijzend het têer-rose licht, dat gedund had over den weg, dempte een mat-witte helderheid uit de lager drijvende wolken, opnevelend over de weilanden een vaag tastbare schemering van sluitend-grijs. En de lang-stammende boomenreien schoven heen achter het gordijnend gewaas, even nog teêr-inktend de wijduit-streepende kruining der