246
telkens had een nieuwe nuchtering gekoeld over de warm-koesterende gloeiing van haar liefde-smeekende ziel. Was ’t haar schuld geweest dat zij in haar getrouwd-zijn gevoeld had een egaal, gewoon gaan naast elkaar, een lam-kleurloozen gang tegen de hoog-jubelende licht-kleuring die zij gewacht had in haar meisjes-droomen, die zij had zien schitteren heel ver in de gouden belofte van haar toekomst ?•
En wêer-denkend aan dien tijd zag zij de eenzame dagen langs haar herinnering treuren, de lange dagen van onvoldane lêegheid, de ellendige dagen van stillen weemoed wanneer zij alleen zat in haar huis, luisterend de klagende wind-stooten van den winter-middag, huil-stikkend in de grijs-schemerende somberheid der regenvlagen die zij zag misten onder den laagweenenden hemel. En lange, stil-doode avonden wist zij wêer, avonden van mat-gedempt zwijgen onder de suizende dofheid van hun eenzaam huis, avonden waarin zij ronddacht aan haar vroegere illusie, waarin zij terugzocht den lief-fluisterenden zang van haar verwachtingen, avonden waarin zij nêerzat, kroppend haar eindeloos verdriet over haar alleenzijn, onbegrepen naast haar man, avonden waarin zij zich voelde ver van zijn leven, eindeloos ver uit zijn bestaan, heen-gezet uit zijn denken in het nabijleven van zijn lichaam.