245
wat haar toekomst zou zijn, ’t einde van alles wat zij eens had gedroomd, van alles wat eens had gelicht in haar dagen met kort-schitterenden glans. En voor haar herinneren zag zij plotseling staan de groote keering van haar leven, de diepe verandering die gehakt was in haar bestaan, onwaar-lijkend in den afstand van jaren voorbij-zijn. En angstig hoorde zij vragen achter in haar hoofd of ’t haar schuld was dat alles gekeerd was in haar dagen, dat alles was ruw-getrapt uit de illu-siënde visioening waarin zij haar dagen had gewild.
Was ’t haar schuld dat zij gezocht had in haar leven wat zij had zien lichten in de kleur-vonkende mooi-heid van haar droomen, wat gezweefd had voor haar mooi-willend zien der werkelijkheid, leugen-belovend alles wat zij had gewacht in de verre toekomst.
Was ’t haar schuld dat een wijde desillusie gebroken had over alles wat zij gewacht had met hel-vlammende kleuren, doffend haar mooie licht-visioenen tot grauw-verdrietige wezenlijkheid ?
Zij had getracht de loom-sleepende sleur-lamming van haar bedrogen dagen te zien in het herinne-rings-verbeelden van haar gedroomd leven. Maar telkens had haar desillusie opgegromd tegen het zachtwillend neuriën van haar gouden zien, telkens had haar desillusie gedoofd in het vlam-willend juichen van haar vreugde-verlangend gemoed,