243
straat, voort-schuddend met ongelijk-deinende schokken, woelig-vullend meer en meer de wijde stilte met het egale stappen der paarden, schuivend door de kalm-hangende koelte een warreling van hol klankend geluid.
Dof dempten een na een de rijtuigen over het hout van de kleine brug, plotseling een lêege scheiding stillend in de geregelde rommeling van klanken. En dicht vóór haar stond de groote zwartheid van den lijkwagen, hoog boven tegen haar schrikstarrend kijken, een kort moment van dui-delijk-vast-donkeren in haar oogen. Zij zag het vage, voel-geweten buig-bewegen der paarden langs zich heen, ’t lêeg-suffe-gezicht van den koetsier, een week-zwart voorbij-schuiven van een welf-plooiend kleed waaronder een onduidelijke hardheid stompte, een tril-schokkend heengaan der wielen diep onder haar zien.
En zij voelde zich wonderend kijken naar den lêegen lichtplek van den weg, waarachter de grijs-groene weilanden een korten tijd eindeloos stil strekten, plotseling vóór-liggend achter de snel-langs-geschoven zwartheid van den lijkwagen.
Maar voor zij kon terugzien naar de heentrekkende donkerte die zij verder voelde wijken van zich af, zag zij langs haar opstaan moeien de doffe hooging der volgkoetsen, een na een, telkens wit-latend een kleinlêegenden plek van den weg,
16*