242
demping van kleur, een blauw-rose helderheid zwevend over den weg die ver-recht lag tusschen den gelijken opstand der boomen, donkervochtend onder het weeke licht dat luidloos dieper dreef van den schemer-dekkenden hemel. En ruim-uit naar beide zijden groenden de weilanden onder een weeke, losse vlokking van ijlen damp die zachtjes weg welfde naar den horizont waar een grijs-blauwe lichtvloeiing stond, vèr met onduidelijke vastheid.
Zij stond alleen, eenzaam in de weemoedige rust die fluisterde over haar heen, een weenende nêerslapping voelend in haar lichaam dat machteloos vast-stond, onbewegelijk en recht.
Op eens, ver naar het Rechthuis zag zij de donkere beweging staan van de begrafenis, onmerkbaar vóórkomend naar waar zij was, eindeloos lang-dekkend het einde van den weg die leeg rechtte naar haar angstig staren.
Langsaam opzwartend uit de duister-schomme-lende kleinheid waarin de lijkkoets voor-grootte, breedde de stoet duidelijker een donker-bewegende levendiging in de ijl-têere vaagheid van nevel, hardend onder het ontastbaar weven van zacht-dem-pend licht een ruw-brekende vlekking van somberheid. En de verre stomping van tinten kleinde ineen achter de scherpende lijning van het donker-matte zwart der rijtuigen, hooger-blokkend boven de