233
leden jaren van mêezijn in het leven van anderen rondom haar.
Zij was weggegaan uit Hilversum, onverschillig mêe met de menschen bij wie zij woonde, angstig te vreemden uit de lang-gekende gewoonte-sleur van haar leven en zij was verhuisd naar de Watergraafsmeer, naar een buitenhuisje dat rustig stond tusschen het jong-groeiend hout van een kleinen tuin, naast den rechten straatweg, waarlangs de oude boomen regelmatig stonden, breed-strekkend hun dikke takken boven de wijd-gapende sloot-glooiing.
En als vroeger was haar leven weer voortge-lamd, doelloos en eentonig. Lange dagen zat zij op haar kamer zonder uit te gaan, denkeloos kijkend naar den lêegen straatweg, waar nu en dan iemand langs liep, luisterend het regelmatig wêer-trillend dreunen van den stoomtram uit de verte, volgend in haar hooren hoe hij nader schoof tot voorbij het huis, waartegen de witte wolk-wentelingen van den stoom nevelden, langsaam weglossend in de rustige lucht. Dan strekte de weg wêer verlaten langs het huis, platliggend tusschen de hooge boomen, even klein bewogen wanneer een wagen het stof hoog-wolkte tot een grijs-trillend nevelen dat luidloos nêerzakte op den grauwen grond. Sommige dagen liep zij met kleine stappen door den tuin, doelloos gaande