XII.
Zij bleef in Hilversum wonen waar zij op de Groest een paar kamers huurde.
Den eersten avond dat haar nieuwe woning klaar was, zat zij voor het venster, moê van de drukte der voorbij gehaaste dagen. Zij had haar broêr naar het station gebracht en zij was lang-saam terug gewandeld in de eenzame stilte van den vroeg-heen-duisterenden dag, zacht luisterend een vage melancholie die over haar heen weekte in de grijze leegte der verlaten straten. Toen zij thuis kwam had zij een tijdlang heen-en-wêer geloopen in de vreemde nieuwheid van haar kamers, rondkijkend naar den dooden slaapstand der meubelen in den matten schemer van de suizende stilte. Zij had zich uitgekleed, loom bewegend in het niets-meer-te-doen hebben van haar alleen-zijn en lusteloos om iets uit te voeren was zij nêergerust voor ’t raam waar zij was blijven soezen naar de losse heen-en-wêer-dwaling van haar gedachten.
Buiten leegde de Groest langs het huis, met de grijze grondplatheid tusschen de kort-hoogende