159
deinzend spiegelde met een leugen-wetende mooiheid.
s’Avonds toen hij kwam waren zij eerst blijven praten in de langsaam volschemerende kamer, geleidelijk heen zwijgend naar de zacht-droomende schaduw die dichter en dichter laagde over de boomen buiten, ruischloos zwevend van de inblauwende lucht. ’T was of een weeke, ruim-hangende weemoed weende over de aarde, onmetelijk wijdend luidloos een stille toon van verre smart, een moê-zangend snikken van eindeloos-voelend leed, een breed nevelend visioenen van nooit geweten geluk, ruischend in de têere zwevingen van den nachtwind een even suizende klank.
Martha voelde een vreemde moêheid hangen op haar lichaam, een matte, stille loomheid om zoo te blijven, uren achtereen, zonder spreken, zonder geluid van stemmen rond haar hoofd, een behoefte om heen te soezen op de wijde zweving van den nacht. Haar peinzen van den heenge-leefden dag zwaarde ineen tot een huilende melancholie, waarin zij zacht-wiegend in gouden helderheid haar denken visioende tot scherp-blijvende beelden. De zinnende kalmte van den herfstdag weefde in ’t donker van den avond een week-weenende neiging van wegzijn, een telkens wêer golvende drang uit te snikken zonder reden, rustigend haar ellende van onzegbaar verdriet.