155
Langsaam kalm de zij weer terug in de sleuring van haar leven; zij hoorde niets meer van zijn weggaan, zij was angstig te vragen of ’t zou gebeuren, vreezend met haar vragen te duidelijken wat in haar rond-schuwde, zij leefde van week op week, telkens uitziende naar den avond die komen zou, winst rekenend elk uur dat hij naast haar was. Maar eiken avond als hij bij haar was, wachtte zij ieder oogenblik van stil zijn, dat zij ’t plotseling nieuw zou hooren, recht-op-zettend den dag van weggaan, vast-lijnend ’t uur dat hij voor ’t laatst zou zijn in hun huis. En zij jachtte de uren door, haastend zijn heen-zijn, snel-sprekend de tijden van rust om die woorden te hinderen uit zijn mond, luchtend een uitgemoeid zuchten wanneer hij weg was gegaan. Dan zakte zij mat neer uit de streng-gestijfde opwinding waarin zij had geleefd, inhoudend haar drang om uit te snikken over haar leed, nêer-lammend uit de sloopende zenuwing, die zij gestriemd had door haar willen.
De voortdurende zenuwspanning waarin zij haar leven heensleet, bitterde uit over het huishouden, lêeg, koud-vreemdend den omgang met haar man en haar kind, vervelend, loom-sleurend de avonduren tot een pijn-zwijgende lengte, moê-hangend na den warrelenden dag van onrust een kort-luidend heftigen. Soms vlaagde plotseling een