150
laatste weken, kleurde zij door haar zien de wezen-lijking van haar droomen, voelend in haar hart de jachtende klopping van hoog-duizelend geluk, dat zij zóó mocht loopen zonder eind, blijvend bij hem die nooit zou heenwijken uit haar dagen, altijd zonnend ’t mooi-gouden geluk dat zij had zien weven in het roman-zien van het leven.
Zij voelde dwingen naar haar mond de woorden die zij kon zeggen, moeielijk ze terugknijpend tegen haar tanden die zij vastbeet van een denklooze vrees dat zij het zou uitbreken in de egale stilte om hen heen, telkens probeerend te moedigen wat zij wilde dwingen tegen zijn niet begrijpen, angstig dat zij zou zien ineenbrokken de licht-gezongen illusie naar een grauwe ellende, wanneer hij niet zou nemen haar wegofferende liefde, neerduwend haar wanhopig behoeven naar zijn genegenheid, groot, wijdgevend wat zij voelde zwellen in het diepste weten van haar ziel.
En zij bleef stil, eiken voetstap rouwend die hen dichter schokte naar haar oude bestaan, snel schuivend achter haar herinneren den korten tijd van nooit-weer-eenigend alleenzijn.
Langsaam begonnen de huizen op te hoogen voor haar zien, schimmig zwaar-klompend tegen den helderen hemel, blind-nêerslapend boven de donker dooreen-bewegende menschen op den onrustiger bijliggenden weg.