149
weggedekt achter een diep-dichtende zwartheid met hier en daar een enkele veeg van helderheid, die week heenzweefde in het donker er naast.
Alleen de rosse schroeiing van een vol-licht café boven het water stond beweegloos, één in het duister, vloei-spiegelend in het zwart beneden, sterk op tegen den achterwijdenden nacht, lang, scherp-kortend en vast. Laag boven het water luidloosden geheim-bewegende kleurlichten, rood en groen, in een verre staring plotseling in het hooge duister, onbewegelijk met loshangende voortglijding, diep onder-somberend de logge massa van een dooden schuitromp, heen-lossend in den omhangenden schemerschijn. Vormloos, grijs in het zwevende schemer schimden de boomstammen aan den wegkant boven ineen, egalend tot breed-staande banden, zwart, onzichtbaar têer-ruischend weeke windzuchten, geurend over het wit van den inkortenden weg telkens dun-blauwe hooigeuren, mengend een vochtende zuiverheid van dauw-slapend gras. Hoog wijdde de nacht-rust op de aarde, geheimend, zweef-dekkend een innig-stille kalmte.
In de wegscheidende eenzaamheid van den nacht hoorde zij weerzangen in haar denken het zilver-helderend verlangen van den zomeravond, toen zij ’t eerst had gevoeld dat zij Theo liefhad. En mengend in haar peinzen het verlangen dat zij gehelderd had door de matte alleenheid van de