148
van nooit-eindende lichting, wijd, zwevend rond haar lichaam een dun-gazende webbe van mystische kleur.
Zij wist dat ’t zoo niet kon zijn, zij wist ’t, haar leven kon niet gaan onder de luid-gedroomde klanking van haar binnenste zangen; en toch ze voelde dat ’t beter kon zijn in haar dagen, dat maar weinig meer de looden doodheid van haar bestaan kon levendigen tot een tevreden voortgang. En dat was wat hij niet begreep, haar man, dat was wat hij niet voelde in de egale degelijkheid van zijn denken, dat was wat hun samenzijn eentonig maakte, een regelmatig grijs-glijdende kleur zonder de schitter-vlekkende breking van een lief-kleinend licht.
En zacht zwijgend zuchtte zij een berouwend verlangen naar dat andere, opgedroomd in haar zeggen, week treurend dat ’t nooit zou zijn zooals zij ’t voelde in haar borst.
Toen zij omkeerden was de hemel ingedonkerd tot een diep-stalend blauw, stolpend over de slapende wijking van de landerijen een roerlooze welving. Ruischloos kalmde de Amstel langs hen voort, schemerend een kantlooze vloeiing in het duister van de overzij, onzichtbaar glijdend naar de stad, die heel ver klomp-zwartte tegen de even dun-veeg-lichtende lucht, puntend in de egale strijking van den nacht den klein-geelenden stilstand der lantaarn-vlammen. De Weesper Zij lag