147
tusschen de korte licht-glimpen van een beter-belovende, korte flikkering van haar graag-willend gelukkig zijn, de weggelamde verwachting van haar leven naast den man dien zij liefhad, heen-gesloomd tot een eentonig gaan naast elkaar, zonder hartstocht, zonder gloeiing van altijd nieuw-vlammende aanbidding, de lêeg-sleepende verveling van haar huwelijk zonder doel, zonder licht.
Haar man vertelde zij, haar wonderend opzien naar zijn altijd gelijk-zijn, de ongeduldige kitteling van haar zenuwend jachten tegen de koel-kalme degelijkheid van zijn doen, haar onbegrepen leven in zijn bestaan dat altijd ’t zelfde heenging, gelijk, tevreden zonder de uitjuichende buien van opgewonden denkeloosheid, zonder haar wild-moewende uren van hooge vreugd, terugdompend haar lichaam dagen achtereen in een uitgemat nêerzitten, lusteloos en zonder kracht. Zij wist dat hij haar liefhad, hij zag naar haar op met een dankbaar willooszijn voor haar wil, hij gaf haar zijn liefde zooals hij die kon geven in de klein-bleekende nuchterheid van zijn gevoel. Maar zij wilde anders, zij wilde een vlam-slaanden hartstocht, een altijd knielend aanbidden, hoog telkens opjuichend haar liefde in een gulden omwolking van adoratie, een romantisch-nêerknielend weggeven aan haar vrouwzijn, feestend haar wezen in goud-juichend klanken van geluid, vlammend een aureool rond haar gaan