146
een wijdluchtende behoefte te vertellen haar leven, alles wat zij hoorde woelen in haar diepe binnenste zijn, wat zij zag helderen voor haar oogen in de moewe lusteloosheid van haar dagen.
Haar jeugd somberde ze voor haar zeggen, de lang-verwaasde dagen van haar thuis zijn, de altijd weer-mooiende verwachting die zij verlangd had om te trouwen, de lam-slappende desillusie die zij zag weenen over haar leven, ontkleurend alles wat zij voelde, alles wat zij had gewacht, alles wat zij zag werkelijken in de illusie van haar mooi-willend gevoel. ’T was de eerste keer dat zij dat alles sprak naar ’t hooren van een vreemde, nooit had zij ’t uitgeruimd naar een ander, alleen haar man had ’t even geweten, tijden heen, nooit had zij zelfs aan hem vertrouwd wat wroette in de geheimende ongekendheid van haar ziel. Een vage, onzegbare willoosheid leegde de woorden uit haar mond, een langsaam in-zwevende vertrouwd-voeling van hem die naast haar zweeg, een schemer-weenende behoefte te zeggen wat zij altijd had ingeknepen in haar têer-vreezend wantrouwen van niet te worden mêegevoeld, een wijd-kalmend goed-weten van alles, ingezongen door de geluk-vredende liefde van den avond. En dichter op een sprak zij de uren van haar jaren, haar trouwen in de groote, mooiheids-illusie van haar roman-zien, haar leven de laatste jaren heengeduisterd