Amstel ernstig voort, kort buigend tegen den scherp-dunnenden oever-rand aan de overzij, smal-staande aan de verre bochting van den weg waar de duisterende boomen een massieve vlakking hoogden voor den donkeren hemel. Wijd heen spreidden de landerijen egaal-liggend naar den horizont waar zij wegmistten tot een rondstrekkende, telkens vlekzwartende lijn, dik, regelmatig plat-gespreid tot een droom-starende vlakte, onmetelijk van slapende grootheid, zwaar dragend ’t somber-drijvend treuren van een koe-klacht boven de beweeglooze dofheid. En helder diepte de lucht een vaster kleurend blauw, ongemerkt wijkend de vage wegtinting van weifelend licht tot een onveranderde gelijkheid van ernst, hooger en hooger welvend de weenende nachtvrede over de aarde. Grijzer witte de koel-looperende weg tusschen de naastdonkerende ineenvloeiing van kleuren, even telkens induisterend onder de bewegende voortschokking van een rijtuig, leeg wêer rustend achter ’t wegschimmen van de grauw-schuivende massa in den verren schemer.
In het dof-ademende zwijgen waarin zij liepen begon zij te spreken lang achtereen, wegzeggend de weeke melancholie die gelukte in haar borst, zonder weten heenvertellend naar zijn luisteren wat treurde in haar denken. Klankloos schemerde zij haar woorden uit haar mond, drang-voelend
MARTHA. IO