XII. XIII. XIV. i) De gewone kleur van het nachtgewaad der japanse vrouwen is blauw.
2) De makoera vervangt het hoofdkussen; het is een kleine sraag, in het midden hol, z<5 dat het hoofd er in rust.
3) Kaya, een soort van gaas, waaronder men daar sluimert, dinend tot beveiliging tegen de muskiten.
4) Naast het rustbed brand een witte lamp om de boze geesten te verjagen in den vorm van een overlangs geopenden silinder op een voetstuk.
XV. 1) Haroe: lente.
2) Vele planten in de japanse tuinen hebben een simbolise betekenis.
3) De pijnboom, matsoe, di het mannelik en vrou-welik geslacht verbeeld.
4) Moeme: pruimenboom.
5) Momo: perzikboom.
XVI. Natsoe: zomer.
XVII. 1) Aki: herfst.
2) Foeyo: de hibiscus mutabilis, een plant, welks bloemenkroon kleur-wisselt, eerst wit, dan rood en eindelijk purper. Deze bloejt in Japan in den herfst.
3) De Kikoe: chryzantemum is de naatsionale bioem en ddir de herfst-tooj bij uitnemendheid.
XVIIL 1) Hoeyoe: winter.
2) Nirwana, toestand van zalige reinheid, betekent letterlik het verwajen tot niets d. w. z. der boze hartstochten, hier echter gebruikt in den zin van overgang uit dofheid tot doorschijnendheid.
XIX, XX. 1) Dit veld bevind zich in Yeddo (Tokio). Onder een banaanboom staat er een Boeddhabeeld.