9o
2) De misdadigers droegen en dragen misschien nog alleen een kiel van blauwe boomwol en loshangende haren.
3) Moesko: knaap, moesmé: meisje.
4) De japanse kinderen spelen met vligers van allerlei fantastise vormen met maskers er op, in de gedaanten van boeddha’s met dikke buik, vampirs, enz.
XXI. 1) Biwa: een soort mandoline.
2) De Japanners hebben een smalle, lange trom, di met één hand word beslagen.
3) Het huweliksgewaad bestaat o. m. uit een blauwe, wijd uitstaande plastron.
4) Kago: een open draagstoel, di op de schouders van twe man gedragen word.
5) Bij bruiloften word door de z. g. vlinders, twe bruidsmeisjes met kolossale strikken uitgedost, m den vorm van kapellen, aan het jonge paar saké, een drank uit rijst gestookt, geschonken uit een metalen pot met dubbele tuit als een simbool van trouw.
6) Reigers zijn als bruidsgeschenk en in het algemeen in Japan een zinnebeeld van geluk.
XXII. 1) Volgens de overlevering stammen de Mi-Kado’s af van Amaterazoe, de godin der Zon. Zij leefden in fabelachtige weelde zeer afgezonderd.
2) De Japanners geloven aan zielsverhuizing.
XXIII. 1) De tempel van Kamé-Ido is gewijd aan Ten-Man, de Apollo der japanse dichters, aan wien ze als ex-voto hun penselen wijdden.
2) Ten-Man zelf, een dichter uit de IXe Eew, werd later'als zodanig geëerd.