XXXIV.
Rijk van de Zon....Rijk van de Zon met huizen als waranden, — Waarheen de kroon der palmen luisterend zinkt, Als van ’t balkon getonk der semsin >) dringt Door gloejend-blauw gesnoerde foedzji-wanden,
Waar om de parasols in moesmé’s handen,
De vlinder als om aardse zonnen zwingt,
Waar ’t schijnt of de vulkaan slechts wirook slingt Om in d’azuren hemel-zaal te branden,
En waar de geisha luwten, bloem-aroom Wuift naar den zwier van liefde’s wajertale, —
’t Is of licht heel Uw leven zwind, een droom, Langs luchtweg, dien kapellen spoorloos dwalen. . .
Wi naar Uw kust van Altijd-Lente vaart,
Vind in Japan het Paradijs op aard!