XXXIII.
Licht.Hier — toen in ’t Westen nog de dichters zegen Voor ’t Kruis, hun heir in wolken wirook zonk, Hun in de Katedraal weer ’t hoofd genegen,
Van het Geloof slechts arm’lik kaarsgloed blonk, — Sloeg uit mijn borst een brand het Oosten tegen Als bloem van vuur, di open door den dronk Van zon met oog-, en hand-kelk — in een regen Van goud geheven — al zijn vlammen schonk Aan ’t Licht der Wetenschap, dat uitgewajerd, Geweldig als in Japans oorlogsvlag,
Weer joeg door den eind-eewsen nevel-bajerd, Waar ’k de Chrysanth, ') wit in den niwen dag, Door ’t wapperend, vorstelik Violet omlajerd,
Als ’t Rad van den Vooruitgang stralen zag.