XXXII.
Scheidens-Uur.Nog eens wil ’k als de luchte vlinder zwiren Om rode klokken der kamelia-bomen, i)
Wier kelken met een blos van vlammen tiren Of al de zefir-zwoelten di ontstromen,
Nog eens den dans van ranke geisha’s dromen, Wien wajers als ontploojde sterren siren, Waaraan zij, d’aard bestengelend, neergekomen, Plots weer druk flapperend het azuur in giren,
Nog eens naar Boeddha’s flonkend aanschijn staren, Kalm schouwend tegen d’eigen oogen-schermen Gelijk de Zon ze luikt bij ’t nedervaren,
Als d’avondvonken reeds om 't zenit zwermen,
En aan Nippon nog enkele strofen wijden,
Hoe ook het uur reeds dreigt van ’t eind’lik scheiden.