XXXI.
Wereld-Drang.Ik voel den trek naar verre, verre landen Der zeelui, di met den kompas-naald vrij Alom vier Ewen reeds de zeilen spanden,
Van den reporter, di in reiskleedij
Te paard de troepen volgt naar alle stranden.
Zo voer ’k mijn dichtros d’eskadrons terzij, Waarmee ’k — trots roof en moord, bij gloed
[van branden, —
De wording schouw der niwe Maatschappij.
En waar zij andere volken overmanden:
Op Cuba en in China, de Transvaal,
Zi ’k toch, hoe na den Gier van ’t Kapitaal,
Di breed-uit voor Japs, Yankees, Britten streeft, De Duif hoog over bajonetten zweeft. —
Ik voel den trek naar verre, verre landen. . . .