XXIX.
De Berg van Nikko. ')Op berg, waar door rouwgroen der seder-kronen De vlinders als uit vrees zijn truggedrongen Waar bronzig stond na stond heen-dreunt van gongen, Daar sluim’ren Dzjimmoe-Tenno’s zonne-zonen In tempels huivend — als uit licht-regionen — Uit gouden muren, of di afglans vongen Van hen, di ’t Volk als steeds onzichtb’ren *)
[dwongen
Tot eerbied en ’t nu nog dien afschijn tonen.
De rosse stammen, velen honderd jaren Staan dicht bijeen als wachters en omringen Dien naglans van verdwenen Majesteit.
Door ’t somber loof hoort men de winden varen En in dat zwijgen als de golven zingen Verdruisend in een Zee van Ewigheid.