XXVIII.
Begrafenis.Twe vossenkoppen rijzen op gedein Van standaards, als giraffen voor de baar, Waarop een dode in huisje, blank pors’lein Als in een toro J) zit; aan ’t staken-paar Blankt een lampion en een papier-blad; daar Gaan bonzen voor tot opening van den trein; Een man volgt met een lichtje’ of zo in fijn, Groen gaas de ziel ’t lijk nog verzelt; na het gestaar Der vossen, na de dragers gaat gebogen — De vrouwen blank door sluiers overtogen, — Een reeks verwanten.
’t Sterfhuis staat nu leeg.
En als gevallen door één woesten veeg
Van stormwind liggen schermen neer, dooreen, •)
Als oosterlingen, kruipend in geween.