XXVII.
Satsoema-Vazen. >)In rijk vertrek, waarbuiten vlokken dalen In wintergrijs, staan zwijgend bij ’t rom-rommen Van haardvuur, vazen met hun tuit als schalen, Di stilte heffen, van oud goud omglommen En ’t blank pors’lein, beöuweld met ovalen, Vleeskleurig, ’t zwart besnord gezicht van drommen, Di om een Shogoen, a) breed in hofdracht, pralen En naar wier voorhoofd zich yebossi’s ®) krommen Van goud. —
En wijken weer de kille stromen, • Di eerst door reten van de vensters breedden, Dan schijnt van ’t goud, dat ruig hangt neergegleden En van hun randen hitte uit te stomen,
Alsot z’er weer de zonnegloed verbreiden,
Die hen bedroop in vroeger lente-tijden.