Japanse Verzen

Titel
Japanse Verzen

Jaar
1903

Pagina's
108



XIV.

Nacht.

Gelijk een moesmé in blauw nachtgewaad In haar makoera *) ligt, zodat ze ’t git Der haren zelfs in slaap nog pralen laat In speldenkrans, naast een lantaarn, glad-wit, Welks schijn door boze geesten word gehaat, Insluimert onder ’t kaya-gaas ®) — gevit,

Luid brommen van muskiten, muggen gaat Rondom, tot als een god de vuur’ge pit *)

Ze trekt, tot offers schroejt — zo over stromen, Rotswanden glijd en glanst een kleed van blauw Wanneer Nippón zelf weer ter rust wil gaan Het Rijk slankt heen, verwaasd in web van dauw. En, opdat geen vuurdraak het wekt uit dromen, Spant trouw aan d’einder vol en blank: de Maan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.