XIV.
Nacht.Gelijk een moesmé in blauw nachtgewaad In haar makoera *) ligt, zodat ze ’t git Der haren zelfs in slaap nog pralen laat In speldenkrans, naast een lantaarn, glad-wit, Welks schijn door boze geesten word gehaat, Insluimert onder ’t kaya-gaas ®) — gevit,
Luid brommen van muskiten, muggen gaat Rondom, tot als een god de vuur’ge pit *)
Ze trekt, tot offers schroejt — zo over stromen, Rotswanden glijd en glanst een kleed van blauw Wanneer Nippón zelf weer ter rust wil gaan Het Rijk slankt heen, verwaasd in web van dauw. En, opdat geen vuurdraak het wekt uit dromen, Spant trouw aan d’einder vol en blank: de Maan.