9i
XXIV. XXV. Gea: de Aarde.
XXVI. De Japanners vouwden vroeger — misschien nog — hun briven heel klein op in de enveloppen.
XXVII. i) Satsoema, dit soort porselein is wit, met goud voornamelijk gekleurd.
2) Shogoen: stadhouder, plaatsvervanger van den
keizer. Deze hadden sinds de XVIIe Eew, sinds het optreden van den stadhouder Hiéyazoe, de macht in handen, totdat de adel, di van hen hoe langer hoe meer afhankelik werd, aan den tegenwoordigen Mi-Kado zijn oorspronkelike macht teruggaf en met deze en de japanse bourgeoizi het Rijk in alle opzichten modemizeerde.
3) Yebossi’s: zwart verlakte, smalle silinderhoeden, naar voren omgebogen en met banden gedragen om de kin, blijkbaar gemaakt om den haardos, op het midden van den schedel naar voren vallend, te omvatten. Men ziet dit hoofddeksel zeer vaak verguld afgebeeld op satsoema-porselein.
XXVIII. 1) Toro: stenen of bronzen lantaren.
2) Het door elkaar werpen van de kamerschermen is een japans teken van rouw.
XXIX. 1) De berg van Nikko is de begraafplaats der japanse keizers.
2) Voor keizer Moetsoe-Hito zijn rijk hervormde, waren de vorsten steeds onzichtbaar, slechts de adel mocht soms hun geheiligde persoon aanschouwen.
XXX. 1) Tschoeng-Koewé: Rij k van het Midden, China*
2) Zulk een krant is daar- de demokratise Yorodzoe-
gedrukt op rosé papier.
XXXI. XXXII. De kamelia’s groejen in Japan niet