74
XXVI
UIT DE MIDDENiEWENNog staat als ster, die — langzaam neergedaald — ' Voor voetstuk zich tot lotusbloem vergrootte *)
In tempels, waar zijn stengel neerspiraalt
En heft — de blote borst van ’t kleed omvloten —
De Boets’, 2) waarvan ’t gelaat Nirwana 8) straalt. .
’t Schijnt, zo zijn ogen zalig staan gesloten —
Of ’t wimperpaar van Licht toch word doorschoten, Hij als in droom zijn goddelik Woord herhaalt Met breed gebaar. Nog steeds bij ’t gongen^gonzen Stroomt ’t volk door torii’s 4) in de tempels, knielt Het hoofd ter aard’, door handgebrei geschoord,
Of smeekt de handen stijf op met de bonzen B)
En mompelt beden als door schrik bezield Of ’t donderen van het Rad der Karma B) hoort.