XXV
73
DE KOGO
Zoals na d’eerste donder plots de lucht Stof, mensen, bladeren van de wegen vaagt —
Nu plutteren druppels tot — versneld — gerucht, Razen van regen aanvaart — zo, gejaagd,
Nam ’t volk voor naderend hoefgeglop de vlucht, Als van den mantelzwier der wacht omvlaagd De Kogo *) aantoog, elk voor ’t hoofd beducht. Want sterven moest de onderdaan, die ’t waagd’ Eén blik te heffen naar den palankijn Van goud, waar achter violet gordijn Ze’ in ’t wit — met zwarte draken overkringd, — Door ebben aureool van ’t haar omringd, 2) School, mysties gloejend ’t adelaarsgezicht 8)
Als door den gloed der keizersvlag omlicht.