Verzoening
Nauwelijks stond ik buiten de cel om te gaan luchten, of de stroper kloste met zijn keukenklompen op mij af, en schreeuwde: 'Jij bent net als de anderen. Als ze geld ruiken, vergeten ze hun vrienden. Dat had ik van jou niet verwacht.' Hij draaide zich met een ruk om en ging alleen vooruit naar de luchtplaats.
'Mag ik samen met Brammetje luchten?' vroeg ik aan de bewaarder, een goeie, die me had toevertrouwd dat hij de Partij van de Arbeid veel te rechts vond; dat de nsb'ers in Leeuwarden destijds werden voorgetrokken; dat het een stelletje schorem was, en dat de een de ander verlinkte om een wit voetje te krijgen.
Ik pakte de stroper bij zijn schouder: 'Geloof me, Bramme-tje, ik wist zelf ook niet dat Mégoor bij me zou komen schaken.'
'Jochie, maak dat de kat wijs. Uit zich zelf gebeurt er niks in deze wereld.'
'Verdomd, je kan me geloven. Hij zal er wel over hebben gesproken, maar niet met mij.'
'Is het waor?' en met zijn goede oog keek hij me onderzoekend aan, terwijl zijn stuiter neutraal meestaarde.
'Hier, mijn hand erop.'
'Dan zal ik ze godverdomme wel eens krijgen.'
De bewaarder deed mijn celdeur open, terwijl hij in druk gesprek was met Brammetje.
'Die wil mij wijs maken dat hij verstand heeft van duiven en zelfs prijzen heeft gewonnen. Opschepper. Aan één woord van die bewaarder kan je horen dat hij er geen pest van af weet, waor?'
Een scheut koffie morste over mijn tafeltje, toen hij het pannetje neerzette.
86