volstrekte concentratie waarmee hij dit deed viel mij zijn krachtig gezicht op. Toen keerde hij zich naar mij toe. Een bloedige holte staarde mij aan. Zijn échte oog traande. 'Wacht effe, woar,' vermaande hij, trok een ooglid omhoog, en met een snelle, omzichtige beweging duwde hij het glazen oog in de ruimte.
'Wat voor boeken leest u graag?' vroeg ik, zoals dit moet bij elke nieuweling.
'Grote letters,' antwoordde hij, 'ik moet grote letters. En weekbladen met foto's.'
Ik schreef het op zijn witte bibliotheekkaart, terwijl ik achter zijn naam las: bouwvakarbeider, 50 jaar. Ik kende hier alle beroepen en leeftijden, van die kaarten. Ze moesten eens weten dat hier jongens van vijftien en zestien jaar zaten, zelfs een van veertien, die uit een opvoedingsgesticht wilde vluchten en zijn bewaarder met een stok had neergeslagen.
Met grote slokken spoelde ik de mok met slobber door mijn keel. Surrogaatkoffie uit de oorlog, moest ik steeds denken. Een zware jongen snoefde dat hij aan de minister van justitie had geschreven: zuip het zelf maar. Mijn brood had ik al op, en ik luisterde naar de radio in mijn cel, die 'Kom van dat dak af' schetterde.
De bewaarder tikte met zijn sleutel tegen de celdeur. 'Klaarmaken voor het luchten,' riep hij, en Klaas, mijn maat uit de bibliotheek, zei toen we op de ring stonden: 'Dat moet hij eens midden op de Dam roepen. Dan kijkt de helft van de mensen op.'
Intussen moesten we wachten tot de vrouwen uit de luchtplaats waren verdwenen en de ijzeren trap op waren gegaan naar hun eigen afdeling. 'Ik heb de stoffers naar boven moeten brengen, maar eerst moesten de stelen eraf worden gezaagd. Daar naaien die wijven zich zelf anders mee.'
76