Brammetje
Ik torste de houten doos vol boeken voor mijn borst alsof ik in de bioscoop sigaretten en ijsco moest verkopen. Er viel er één af, zodat ik de stapel voorzichtig op het gladde ijzer van de ring, de omloop langs de cellen, zette om het op te rapen, terwijl de bibliotheekmeester toekeek. Hij mocht me daarbij niet helpen. Voorschrift. Daarom zeiden de inbrekers onder de gevangenen over de bewaarders: te laf om te stelen, te lui om te werken, mochten geen hand uitsteken, net als in de burgermaatschappij van Zuid-Afrika, waar de blanke postbode alleen maar het adres aanwijst en de zwarte de brief in de bus gooit. De bibliotheekmeester was geen kwade kerel, en in de beslotenheid van de bibliotheek hielp hij een handje mee.
Met zijn zware sleutel opende hij de cel op ring c. Een nieuweling, maar hij had al een baantje, anders zat hij hier niet. Zeker een oude bekende, op herhalingsoefeningen, zei men hier, of in hoger beroep.
Terwijl ik de boekenlast op het celtafeltje kwijt wilde, deinsde ik even terug. Er zat een boerse man aan, met in een scheiding gekamd blond haar en een bol gezicht, dat aan de grauwheid van de kleur verried dat het eens roodachtig geweest moest zijn. Hij rook, hier, in de cel, naar zeep en was gladgeschoren. In zijn ene hand hield hij een stuiter, waar hij zijn adem op blies om hem des te beter met de slip van zijn boezeroen schoon te kunnen maken. Weer blies hij, en in de
75