spreken we thuis niet meer over. Nooit meer, met niemand. Dat schijnt niet te horen. Ik weet niet hoe ik het moet zeggen.
'Met Saartje?' antwoord ik, 'nou, gewoon, 't gaat wel.'
'Wil je haar vooral de groeten doen?' vraagt het meisje, en ik beloof het. Ze loopt door, en ik sla rechtsaf.
Terwijl ik me voorthaast, schrik ik om wat ik heb gezegd. Misschien hoort ze het van een ander, en wat moet ze dan van me denken? Dat ik gek ben? Dat ik maar een eind weg loog, en nog wel daarover? Trouwens, hoe heb ik zo iets kunnen beweren? Dat was gemeen van me. Ook tegenover Saartje. Wie zei zo iets nou als ze... Altijd haal ik van die stomme dingen uit. Dan tippel ik erin zonder dat het mijn bedoeling is, onverwachts, zonder dat ik erover heb kunnen nadenken.
Ik hol nu, om aan het eind van het Vondelpark te komen. Het is veel verder dan ik dacht. Even blijf ik staan, klem mijn dijen tegen elkaar, kijk of ik onopgemerkt in een bosje kan piesen, huiver en loop door. Langs de uitspanning het Boertje, met zijn omhulsel van boomschors, kom ik ten slotte op de Amstelveen-seweg uit. Teruggaan? En opnieuw zoeken? Ik kijk wel uit. Als je de Amstelveenseweg afslaat, kom je er ook. Die kleine omweg haal ik wel met hardlopen in. Zal ik aan iemand vragen? Ja zeker, als je jezelf de hand erop hebt gegeven...
Met pijn in mijn zij blijf ik een ogenblik staan. Doet het je pijn? Terug pijn doen. Dat zegt vader altijd. Mijn maag knort van de honger. Zo lang heb ik er toch niet over gedaan? Langs de normale weg was ik allang bij vader geweest. Wat moet hij er wel van denken?
165