Een beetje bang ben ik wel voor hem. Waarom eigenlijk? Ik krijg allang geen pak voor mijn kont meer. Schreeuwen kan hij wel als hij kwaad is, maar schreeuwen doet geen zeer, trouwens, toen ik vroeger voor mijn gat kreeg voelde ik het niet eens altijd. Dat liedje van Vondel, van zijn zoontje dat doodgaat, stel je voor dat ik zelf dood zou gaan, als kind. Dan had je het nog nooit gedaan zoals de grote mensen, het lekkerste wat er bestond.
Intussen sjok ik door, langzamer, totdat ik voor de bakstenen omheining bij het Huis van Bewaring weer blijf staan. Er komt een politieauto aan, een man stapt uit, loopt onverschillig met zijn bewakers mee naar de bruine houten deur, terwijl een agent aanbelt. Als je daar terechtkomt ben je nog niet jarig. Dan word je altijd met de vinger nagewezen. Het beste is straks tegen vader een geintje te maken. Als ik de schoenmakerij binnenkom zal ik meteen zeggen: 'Zo in sjoel en zo opgeroepen.' Zou hij gek kijken, en misschien zeggen: 'Wat bedoel je?' Ja, wat bedoel ik ermee?
Van dat meisje zoeven is de benen pen geweest die ze aan Saartje heeft gegeven, en die ik had gebroken omdat ze beweerde dat hij onbreekbaar was. Ik dacht het echt. En als ik geweten had... hoe kan je dat nou weten?
Daar vlakbij is de Pieter Lastmankade, waar oom Hartog en tante Lea wonen. Zal ik bij ze aanbellen? Wat moet ik dan zeggen ? Dat ik verdwaald ben ? Trouwens, oom Hartog is naar zijn werk op de tuchtschool in de Watergraafsmeer, waar hij altijd van vertelt als hij bij ons is, over jongens die weglopen. Ik moet voortmaken, anders kom ik nooit bij vader.
In een sukkeldraf, mijn duim in een zij geduwd,
66