Weer lopen we langs het paadje, deze keer wordt er zachtjes gesproken. Gaan we nog niet naar huis? We komen in een zaaltje, waar de tafel gedekt is. Er staan schalen met broodjes en ze schenken koffie in. Na een begrafenis? Ieder schuift aan, dat hoort er zeker bij. Het zijn kadetjes met kaas, tegen Maurits zeg ik altijd kadet, als ik hem wil pesten. Moet je ervan nemen? Het zal wel, ze doen het allemaal. Is het slecht van je als je het niet helemaal opeet? Het plakt zo aan mijn gehemelte.
De spoorbomen zijn gesloten, we moeten wachten, op weg naar huis. Nu ben ik de oudste, het flitst door me heen. Zo mag ik niet denken. Voortaan zijn we alleen met jongens thuis, zonder meisje. Saartje was al een hele tijd weg, in het sanatorium. Er verandert thuis niet zoveel. Ik deug vast niet dat ik zulke dingen denk.
Thuis is er weer koffie. Moeder ligt op de divan. Ze wil niet terug naar het ziekenhuis.
'En ik niet naar school', zegt Maurits, 'ik wil bij vader in de winkel.'
'Daar spreken we nog wel over', antwoordt vader, heel zachtjes, maar hij heeft tranen in zijn ogen. Ik zou ook wel van school willen en in de winkel komen werken. Maar Saartje is dood, zij kan geen examen meer doen. Ik zit in de derde, het is mijn beurt. Als ik ook van school ga, is het allemaal voor niets geweest. We zijn ook al voor niets uit Tuindorp gegaan.
Naar bed nu. Morgen zal ik me nog meer schamen, in de klas, want ze hebben het natuurlijk gehoord, van Saartje, en dan weet ik helemaal niet meer wat ik tegen ze moet zeggen.
Ik ga de trap op, naar boven.
'Welterusten lieve Saartje', heel zachtjes zeg ik het in mezelf, ze mogen het beneden niet horen.
158