Het kamertje is nu van mij, het had van Saartje zullen worden. In de kast hangt haar mantel. Hij is ook gestopt aan de zak, zie ik nu voor het eerst. Ik aai erover, hij is zo zacht als een poes. In een van de zakken zit een zakdoek, en ik pluk eraan om nog iets van Saartje te voelen. Op de plank ligt haar herbarium. Voorzichtig peuter ik de bandjes van de kartonnen kaft los en kijk naar de herfstaster, die ik voor haar heb meegenomen van het opgespoten land. De paardebloem is uit onze achtertuin. Ook die heb ik voor Saartje geplukt, ik dacht dat het een boterbloem was. Een paardebloem is het, verbeterde zij. Dat kun je aan de bladeren zien, en aan de dikke steel. Met een korte beweging knakte zij de stengel door. Er kwam een kleverig wit sap te voorschijn. Ik likte eraan. Het was zo bitter als gal.
159