'Ik ook, Maup, maar het moet nu eenmaal.'
We zijn er, op tijd, maar de deur staat al open. 'Ik groet je, Maup.' 'Tabé, Salie.'
Midden in de les wordt er geklopt. Het is de conciërge•
'Kan Santen even bij de directeur komen?'
Ik?
Op mijn tenen loop ik de klas uit, naar de kamer van de Baas. Maup staat er ook, als je me nou.
'Komen jullie binnen, jongens. Ga zitten.'
Er is een telegram gekomen, van vader. We moeten naar opa en opoe, niet naar huis.
'Waarom meneer?'
'Er staat verder niets in het telegram.'
'Na vieren?'
'Het lijkt me beter als jullie meteen gaan.'
Je kan buiten zien dat het nog vroeg is. Alleen kleine kinderen spelen op straat. Een bakker loopt achter zijn kar, een verhuiswagen wordt uitgeladen.
'Zullen we lopen?'
Ik voel er veel voor. Zo vroeg al bij opoe, je verveelt je maar. Het is een heel eind, ze wonen nu in de Bata-viastraat.
We snappen er helemaal niets meer van. Wat moeten we bij opoe doen? Een telegram op school; ik probeer te denken waarom het kan zijn. Het lijkt wel of mijn hoofd verstopt is.
Eindelijk, Bataviastraat. Hier is het. Tweemaal bellen.
'Weet je wat bellen in het Duits betekent, Maup?'
Dat heeft hij nog niet geleerd. 'Blaffen.' Hij gelooft het niet. Straks aan vader vragen, dan zal hij het horen.
De deur wordt opengetrokken. Opoe staat boven aan de trap.
149