ten, wat is hij sterk, vroeger won ik het gemakkelijk. Ik geef het niet op, dat zou hij wel willen.
'Klein kereltje', zeg ik tegen hem.
Nu wordt hij helemaal driftig.
Straks hoort oom Jochem het.
'Ik ga al opzij.' Ik fluister het en laat Maurits' handen los.
Hijgend liggen we naast elkaar. We kunnen niet meer.
'Jij moet als oudste van de twee de wijste zijn', zegt moeder altijd tegen mij. Vooruit dan maar. 'Welterusten Maurits.'
Slaapt hij al? Van het ene ogenblik op het andere? Dat vind ik nou zo gek, met slapen. Je bent wakker, ineens weet je van niets en slaap je, zonder dat de tijd bestaat. Ontwaak je, dan is de nacht voorbij, zo maar, in een flits. Ik probeer soms te wachten op het ogenblik dat ik in slaap val om te weten hoe het gaat, maar dan wil het juist niet en lig ik heel lang wakker. En duurt de tijd lang in plaats van kort.
Toch heb ik geslapen. Tante Roos zegt dat we op moeten staan.
'Dag tante.' We gaan naar school.
'Waarom zou vader niet thuis zijn gekomen?'
'Ik weet het niet, Maurits. Tante zei dat hij met de dokter moest praten.'
'En de winkel dan?'
'Wist ik het maar.'
We zeggen nu niet veel meer tegen elkaar. Het is zo moeilijk te praten als je geen antwoord weet. Met Saartje kan er niets zijn, de koorts was minder en ze is aangekomen, voor het eerst.
'Ik vind het een rotschool', daar hadden we het helemaal niet over.
148