'Zeg dat niet. Als diamantslijper krijg je haast altijd met die dingen te maken. Het diamantvak is heel gevoelig voor wat op de beurs gebeurt.'
Het zal wel. In de schoenmakerij is het veel erger. Als het mooi weer is blijven de klanten weg. Maar dooit het of regent het, dan komen alle klanten tegelijk omdat ze natte voeten krijgen.
'Ga je mee, Maurits, gaan we naar huis.'
'Jullie kunnen hier wel slapen vannacht.'
Waarom zegt tante Roos dat? Straks komt vader thuis.
'Nee, hij moest naar Hooglaren.'
'Vanavond?'
'Ja, hij moest met de dokter praten.'
'Waarom?'
'Dat weet ik niet.'
Eerst maken we ons huiswerk. 'Ga je mee op straat, Maurits?' Veel is er niet aan, in een vreemde buurt. We gaan naar de Van Woustraat, winkels kijken en we kopen een grote toverbal van drie cent. Je moet er een boer van laten, het proeft alsof je ei hebt gegeten. Je hebt er veel textielzaken met heel mooi ondergoed in de etalage. We blijven ervoor staan.
Tante Roos heeft een kermisbed voor ons gemaakt. We gaan vlak naast elkaar liggen, anders rollen we eraf.
'Ga weg met die knie.'
'Donder op, zeg ik je.'
We fluisteren het tegen elkaar, anders hoort tante het.
'Hier', ik geef Maurits een trap met mijn knie in zijn rug.
Hij draait zich om en wil me een stomp geven. Ja, nu heb ik zijn handen beet. Hij rukt en rukt en wil me bij
147