indruk krijg ik niet van je, maar pottenkijkers hebben we hier niet nodig. Donder op en gauw.'
Terwijl ik me op straat met grote stappen voortrep, bonst mijn hart nog na van schrik.
Daarginds ligt het Binnengasthuis. Maurits heeft erin gelegen toen hij zijn elleboog had gebroken. Zijn linkerarm is voor altijd krom gebleven. Wordt ie later afgekeurd voor de militaire dienst. Dat is tenminste een mazzeltje erbij.
Als je links afslaat kom je bij de Oude Manhuispoort, waar ze tweedehands boeken verkopen. Die zijn soms net zo goed door zieke mensen gelezen. 'Niet aan je vinger likken als je een bladzijde omslaat', zei vader eens tegen me toen ik een leeszaalboek zat te lezen. 'Je weet nooit of iemand met een besmettelijke ziekte het in handen heeft gehad.' Zou Saartje het ook op die manier hebben opgelopen?
Ik moet wel op de tijd letten. Met mijn vingers strijk ik door mijn haar. Ze gaan een foto van mijn longen maken. Ik ben er vanmorgen speciaal voor in bad gegaan. 'Smeerkees', zei moeder, 'moeten ze aan je kunnen ruiken dat je je niet gewassen hebt?' Zelfs mijn voeten moest ik wassen. 'Stel je voor dat je op straat een ongeluk krijgt', waarschuwt ze, 'dat je een been breekt en naar het ziekenhuis moet, wat zullen ze dan van ons denken?' Ze is toch altijd bang dat de gojem ons vies vinden, alleen maar omdat we geen geld hebben voor dure kleren. 'We zijn juist verplicht om zindelijk te zijn, op ons lichaam en op ons eten.' Dan zucht ze altijd, als ze zo spreekt.
Vrouwen zijn overal bang voor. Saartje net zo goed. Nou ja, eigenlijk is Saartje nog geen vrouw, maar een meisje. Al zijn bij de joden meisjes al meerderjarig op haar twaalfde jaar. In de warme landen zijn vrouwen
136