Ik hoest, zoals zo vaak de laatste tijd. Dikke brokken slijm, die ik anders op straat uitspuug, veeg ik nu voorzichtig in mijn zakdoek weg. Ze mogen het niet merken. Als ze het van Saartje weten, denken ze dat ik ook besmettelijk ben. Dan mag ik hier nooit meer eten, en dat kost vader een goeie klant. Juist nou, nu het zo slecht gaat in de schoenmakerij en er steeds geld nodig is voor Saartje. Ander eten, meer kleren, alles moet apart.
'Jij hoest ook lelijk', merkt Cor op.
'Laurierdrop', antwoord ik. 'Thuis vraag ik vijf cent voor een pijp laurierdrop. Vader hakt het voor me. Hij zet er een schoenmakersmes op, met een tik van de hamer worden het zo allemaal brokken. Dat is goed. Dat weet ik van vroeger toen ik nog klein was. Dan was ik hees en hoefde ik niet naar school, in de eerste klas. En als ik twee brokken op had gezogen, om half tien, was het ineens verdwenen. Lekker joh, een hele vrije ochtend. Dan dachten ze dat ik het erom had gedaan. Maar dat is niet waar. Ik was zo hees dat ik haast niet kon praten.'
Wat moet ik nu aan met de beker waar ik melk uit heb gedronken? Thuis moeten het kopje van Saartje, de lepel, alles waar ze mee eet, afzonderlijk worden afgewassen, en wij mogen ze niet gebruiken. Het is net als bij de vrome joden, waar het eetgerei dat voor melkspijs wordt aangewend, niet voor de vleeskost mag dienen. In de Thora staat dat het vlees van de moeder niet bij de melk van het kalf mag komen, heeft vader me vroeger eens verteld. Hij weet altijd alles, behalve Hebreeuwse letters, die kent hij niet meer.
Eigenlijk moet ik het ze vertellen, van de tuberculose, want nu drinkt iemand anders uit mijn beker. Misschien maken ze de beker niet eens goed schoon. Mij is
134