HEDEN KIJKDAG
Voor het melkwinkeltje in de Nes ligt een stalen mat met zeker vijfhonderd vierkantjes, waarin gekleurde glazen knikkers een ster vormen. Hier woont Cor, mijn vroegere vriendje uit Tuindorp. Samen hebben we bij meester Heide in de klas gezeten. Nu nog laten ze hun schoenen bij vader repareren; ik neem ze mee als ik er tussen de middag mijn boterham opeet.
Het water druipt in mijn nek als ik naar binnen ga. Ze zullen verbaasd zijn dat ik zo maar kom.
Om drie uur moet ik op de Achtergracht zijn.
Achter het melkwinkeltje moet je een trapje op. In het schemer tekent zich de huiskamer af, waar ik Cor zie zitten. 'Morrie', zeg ik, zoals vroeger als we elkaar van huis afhaalden. Cor kijkt nauwelijks op van tafel. 'Dag', antwoordt hij. Het is moeilijk met vriendjes als ze eenmaal verhuisd zijn. Je weet nooit of ze blij zijn als ze je weer zien, en ze praten over andere jongens die je niet kent. Zijn moeder is wel aardig gebleven. Elke keer zegt ze tegen me dat ik vaker moet komen. En zelfs als ik zo maar kom, krijg ik vaak schoenen mee. Achter de melkkar slijten je zolen als de pest.
Na een blik op de klok te hebben geworpen waarschuwt Cors moeder dat ik wel mag voortmaken als ik om half twee op school wil zijn.
'Nee hoor', begin ik, 'ik hoef niet...'
Haast zou ik me verspreken.
'De Franse leraar is ziek. We beginnen een uur later.'
133