Tante gilde ervan. Zou Klaart je het gek vinden als ik hem liet zien? Dat je daar zo opgewonden van werd als je eraan dacht. Ik kreeg er een kleur van, en mijn neusgaten gingen vanzelf heen en weer Plotseling liep ik de huiskamer binnen en zei tegen haar: 'Kijk eens?' 'Ja', antwoordde ze verlegen, bloosde even, keek toen de andere kant op. Wat stom van mij om zo iets te doen. Ik ben meteen daarna naar school gegaan. Als ik nu bij ze kom eten durven we elkaar niet eens meer aan te kijken.
Ik word wakker en denk: het is al maandag, tweede paasdag. Straks ochtendgymnastiek, volksdansen; om één uur gaan we naar huis.
'Iedereen heeft toch wel de tekst bewaard hè?' vraagt Wim Lichtenberg, als we klaar staan om naar het station te vertrekken. Nog een keer zullen we samen zingen: 'Makkers, reikt elkaar de handen, laat ons strijden dapperblij, dwars door rode wereldbranden komt de grote dag nabij.' Erboven zijn twee handen getekend, een zwarte en een witte, in elkaar gestoken, vanwege de solidariteit tussen de mensen van alle ras, van alle kleur: 'Dag breekt aan, en wij gaan, vurig 't zonnelicht integen...'
Dan moet ieder de rugzak pakken.
Buiten verzamelen we in dezelfde opstelling als twee dagen geleden. Haantje voor mij, naast mij Leen-tje Heyers. Ik zoek met mijn hoofd naast het bokkie, zie haar staan, en loop naar haar toe. Blij roep ik: 'Dag Leentje.' Zij kijkt me even aan en zegt: 'Zo joodje, ben jij er ook weer?'
132