waar een touw ligt voor de mastworp. Ineens zegt Bram tegen mij: 'Zeg jij de Rode-Valkenwet eens op.' Ik dreun: 'Rode Valken roken niet, Rode Valken drinken niet, Rode Valken moeten behulpzaam zijn voor elkaar.'
'Je haalt de volgorde door elkaar', zegt Bram, hij zwijgt even, vervolgt: 'Nu iets heel anders. Haantje heeft geen rugzak voor het Paaskamp. Kan iemand hem er een lenen?'
Plotseling wordt het stil. Ieder kijkt voor zich uit, of staart de kamer in. Ik kijk naar Sjaan. Ze is best aardig. Trouwens, zo veel christenmeisjes zijn aardig. In stilte ben ik vaak genoeg verliefd op ze. Wat moet je doen als je later echt verliefd wordt op een sjikse, en je mag niet met haar trouwen ? Of niet mogen, dat doe je niet om je vader en moeder geen verdriet te doen. Dat beweert vader tenminste. Want al is hij zelf niet vroom, toch is hij lid gebleven van de Joodse Gemeente. Dan kun je op de Joodse Begraafplaats begraven worden. Ook krijg je matzes met pasen. Daarom heeft hij ons laten besnijden, hebben wij joodse namen gekregen. Toch snap ik hem niet, waarom zijn we dan in een niet-joodse buurt gaan wonen? Als kind moet je het allemaal opvangen, omdat ze jou juist uitschelden, vanwege je naam, en omdat je een andere hebt. Altijd hebben ze er wat van te zeggen dat ik met mijn handen praat, dan verwijten ze me: 'Moet de hele wereld soms zien dat we joden zijn?' Ik raak er gewoonweg door in de war.
Nog steeds heeft niemand geantwoord op de vraag van Bram.
'Jullie laten Haantje mooi in de steek. Ik heb jullie nog nooit zo stil gehoord. Denk nou eens goed na. Kan niemand hem helpen, heeft niemand thuis een rugzak
123