Van onder zijn tafel pakt hij een rugzak. Niet zoals je ze koopt, zie ik meteen, maar wel een echte.
'Die heb ik vandaag voor je gemaakt. Het was toch stil in de schoenmakerij. Moeder had nog een stuk overgordijn liggen, een paar ouwe riemen had ik nog wel.'
In de verlaten Betelgeuzenstraat slaat de rook neer uit de schoorstenen, zo koud is het vroege voorjaar; ik heb de kraag van mijn manchester jasje opgezet. Moeder riep me nog na dat ik mijn overjas aan moet doen, maar ik ben gauw weggehold. Naar Bram en Sjaan, mijn hordeleiders. Ze zijn best aardig, zij net zo goed als hij. Hij is een jehoede, maarzij een sjikse. Dat doe je toch niet, als jood met een goj trouwen. Dat je geen gewone hebt, is voor zo'n vrouw toch gek. Daar moet je je dan steeds voor schamen, dat je besneden bent, en zij zou altijd net moeten doen alsof ze het niet in de gaten heeft. Gesjmad is hij niet, dat weet ik van vader. Gesjmadde joden, dat is nog veel erger, eigenlijk zijn het overlopers omdat ze zich hebben laten dopen. Of je nou in de ene god niet geloofde of in de andere niet, daar werd je toch geen goj voor. Het zit wel gek in elkaar. Van de Martini's, de klanten die eerst in Den Helder hebben gewoond totdat hij met een rood paspoort bij de marine is ontslagen, heeft vader De wondere waarheid geleend, een boek over de joden, die zich door alle eeuwen heen hebben gehandhaafd. Als er 's avonds niemand thuis is, een enkele keer, lees ik het, opgewonden, in de verwachting er iets in te ontdekken van het geheim dat je meedraagt omdat je jood bent. Altijd weer leg ik het teleurgesteld weg.
Wij zitten met zijn achten om de tafel in de huiskamer, waar een primus op staat voor de primusproef, en
122